28-01-2010 - De Nederlandse ontwikkelingshulp moet zakelijker. Dat is de conclusie van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat vorige week verscheen. Volgens opsteller Peter van Lieshout moet de overheid beter kijken welke maatregelen landen economisch sterker.
1. Bent u iemand die meteen geld overmaakt als de cijfers 555 op tv verschijnen?
"Ik aarzel altijd. Ook nu weer bij Haïti. Dit is typisch noodhulp. We moeten oppassen dat we niet dezelfde fout maken als een paar jaar geleden bij de tsunami toen de hulporganisaties over elkaar heen buitelden. We moeten zo snel mogelijk naar een situatie waarbij de Haïtiaanse overheid weer de regie heeft en wij ondersteunend zijn. Anders zijn we meer bezig met onze eigen goede gevoelens hier dan met het structureel iets op gang brengen daar."
2. Dus u geeft niets voor Haïti?
"Nou, ik denk het wel. Als je alles afweegt is het ook weer zo plat om niets te doen. Het is natuurlijk vreselijk wat daar gebeurd is. Je moet vervolgens niet weglopen met het idee: nu hebben we het wel weer gehad. Het echte werk komt later pas."
3. Is ontwikkelingshulp succesvol?
"Dat kun je zo niet zeggen. Het beleid bestaat al zestig jaar en in die periode zijn er verschillende doelstellingen geweest. Het Westen heeft voor 1990 nogal wat geld uitgegeven met als doel om de communisten buiten regeringen te houden. In veel landen is dat gelukt. Mensen langer in leven houden, is ook redelijk geslaagd. Maar als je als je belangrijkste doel ziet om de zelfredzaamheid van arme landen te vergroten, is het beeld gemengd. Afrikaanse landen doen het gemiddeld slecht, Aziatische een stuk beter. Vervolgens kun je je afvragen in hoeverre verbeteringen komen door de ontwikkelingshulp. Zuidoost-Azië heeft zich vooral ontwikkeld door innovaties in de landbouw. Een stuk grond in Vietnam brengt daardoor nu negen keer meer op dan zestig jaar geleden."
4. Wat moet er nu veranderen?
"Het Nederlandse beleid moet meer in het teken staan van het vergroten van de zelfredzaamheid. Dat gaat verder dan alleen armoedebestrijding. De echte sprongen voorwaarts zijn juist op andere terreinen te maken. Sommige landen schieten er veel meer mee op als je hun infrastructuur verbetert. Benin en Togo zijn Afrikaanse buurlanden, maar als ze onderling willen exporteren, kunnen ze dat het makkelijkst via Europa doen. Regionale markten komen op die manier niet tot stand. Om aan dat soort fundamentele problemen wat te kunnen doen, moet je niet alles willen, maar keuzes maken. Je beperkt je tot een aantal landen waar je dan langdurig aandacht aan moet besteden."
5. Dat klinkt toch weinig verrassend?
"In ons beleid zijn we afgedwaald van de vraag wat landen zelfredzaam maakt. Vrijwel al het extra geld dat sinds 1990 naar ontwikkelingshulp ging, is uitgegeven aan onderwijs en gezondheidszorg. Dat is hulp met een menselijk gezicht. Die kreeg meer aandacht als reactie op de jaren tachtig toen de nadruk was komen te liggen op het saneren van de overheidsfinanciën en privatiseringen. Media hebben ook een grote rol gespeeld; onderwijs- en zorgprojecten kun je goed laten zien. Het beeld van een kliniekje spreekt natuurlijk meer aan dan het harmoniseren van douanebepalingen, terwijl landen daarmee waarschijnlijk veel meer opschieten."
6. Wat moeten we dan wel doen?
"Voorwaarde voor zelfredzaamheid is economische groei. Je moet kijken waardoor die onvoldoende op gang komt en dat verschilt per land. In Nigeria zal de bottleneck misschien het functioneren van het douanesysteem zijn, in Oeganda de toegang tot een zeehaven. Vervolgens moet Nederland alleen die problemen oppakken waarbij het echt iets kan toevoegen. Je kunt niet alles doen, dus doe waar je goed in bent. Wij komen dan al snel terecht op terreinen als water, landbouw, de opbouw van een rechtsstaat. Het frappante is dat we in ontwikkelingslanden nu vooral veel aan onderwijs doen. Dat is nou juist een terrein waarop we niet bepaald excelleren."
7. Moeten Nederlandse bedrijven ook een grotere rol spelen?
"Dat is geen doel op zich maar het zal er wel op neerkomen. We pleiten ervoor om het management van de ontwikkelingsprogramma’s weg te halen bij de ambassades, waar mensen doorgaans maar een paar jaar werken en onder te brengen in een aparte dienst, NL-Aid. Daar kunnen ze meer ervaring opbouwen. De uitvoering zul je door private partijen moeten laten doen. Dat zullen vooral lokale ondernemers zijn, maar het ligt voor de hand dat daar ook Nederlandse bedrijven bij betrokken worden. We willen niet terug naar de situatie waarbij alle opdrachten door Nederlandse bedrijven uitgevoerd moeten worden. Dan krijg je situaties zoals in Amerika waar de hulp wordt geregeld door US-Aid. Als je daar binnenkomt, zie je overzichten hangen waarop precies staat welk deel van de hulpgelden weer terugkomt via opdrachten aan Amerikaanse bedrijven. Dat is vrij hoog en daar zijn ze trots op."
8. Wat is daar eigenlijk op tegen?
"Als je doelstelling is om ergens anders de ontwikkeling verder te helpen, moet je je geld zodanig inzetten dat daar het maximale resultaat bereikt wordt. Dat zal vaak via het inschakelen van lokale partijen zijn, al is dat ook weer niet noodzakelijk. Ik ben op bezoek geweest bij Nederlandse tuinders die grote kwekerijen hebben neergezet in Kenia, Oeganda en Ethiopië. Soms hebben ze wel duizend mensen in dienst. Daar zie vaak ook een schooltje ontstaan, soms een ziekenhuis, een irrigatiesysteem. Die bedrijven zorgen voor een enorme ontwikkeling in een hele streek. Dat is indrukwekkend, maar in de debatten over ontwikkelingshulp is daar nauwelijks aandacht voor."
9. Moeten die bedrijven daarvoor dan geen subsidie krijgen?
"De effecten daarvan moet je niet overschatten. De ondernemers die ik gesproken heb, zeggen allemaal dat ze hun beslissing om daar te investeren niet laten bepalen door de subsidie die ze zouden kunnen krijgen."
10. U heeft vijfhonderd mensen geïnterviewd voor dit advies. Werkt u zelf wel efficiënt?
"We zijn hier twee jaar mee bezig geweest. We hebben echt alles gelezen wat er de laatste drie jaar over dit onderwerp is gepubliceerd. Natuurlijk kun je je afvragen of dat geen overkill is. Maar we hebben het wel over een onderwerp waarover een wild debat gevoerd wordt waarbij voor- en tegenstanders scherp tegenover elkaar staan. Dan moet je je verhaal goed onderbouwen. Dat lijkt gelukt. Tot nu toe heeft nog niemand gezegd dat ook maar een alinea feitelijk niet klopte."
Jan Buevink
buevink@vno-ncw.nl