24-03-2011 - Binnenkort moet de Eerste Kamer zich er over buigen: komen er wel of geen streefcijfers voor vrouwen aan de top? Ondertussen gaat men in het buitenland nog veel verder. Mooie symboolpolitiek of maken die quota echt het verschil?
Als het beroemde dorpje in Gallië van Asterix en Obelix houdt Nederland stand: als een van de weinige landen van Europa kent ons land nog geen harde streefcijfers of vrouwenquota. Maar hoe lang nog?
Na de Noren, hebben ook de Spanjaarden, de Fransen en de Belgen een wettelijk quotum voor topvrouwen vastgelegd. In IJsland, Duitsland, Oostenrijk, Italië wordt er heel hard over nagedacht dat binnenkort ook te doen. Het Verenigd Koningrijk, Polen, Zweden, Finland en Denemarken hebben zich weliswaar niet op getallen vastgeklonken, maar bedrijven hebben wel een ‘code’ ingevoerd waarin is afgesproken het aantal vrouwelijke boardmembers uit te breiden. En ook de Europese Unie dreigt met regels. Zo langzamerhand lijkt Nederland tot een van de weinige landen te behoren die nog geen quotum of streefcijfer hebben.
Daar zou verandering in kunnen komen. Eind vorig jaar heeft de Tweede Kamer een voorstel aangenomen waarin streefcijfers worden genoemd. In elke raad van bestuur moeten beide seksen met 30 procent vertegenwoordigd zijn. Lukt dat niet, dan moet de onderneming uitleggen waarom het streefcijfer niet is gehaald. En, zo zegt het wetsvoorstel, als bedrijven het in 2016 niet voor elkaar hebben, volgt er alsnog een wet. De Eerste Kamer moet zich nog over het voorstel uitspreken. Wanneer dat is, is nog niet bekend. Het blijft dus nog even spannend. Alea non iacta est, om bij Asterix en Obelix te blijven: de teerling is (nog) niet geworpen. Maar hoe de Eerste Kamer ook oordeelt, zijn streefcijfers of quota wel zinvol?
Op het eerste gezicht lijkt het niet onlogisch een poging te doen om de opmars van vrouwen in topfuncties ter versnellen. In de raden van bestuur zijn namelijk nog altijd maar weinig vrouwen te vinden: zo'n 14 procent van de commissarissen van de top-25 bedrijven was in 2009 vrouw en in hetzelfde jaar slechts zo'n 6 procent van de leden van de raden van bestuur van dezelfde groep bedrijven. Tien jaar eerder waren de cijfers nog nadeliger voor vrouwen: 8 en 0 (!) procent.
Al een flinke verbetering dus maar in een tempo waarbij het nog decennia gaat duren voordat vrouwen 30 of zelfs 50 procent van de topfuncties zullen vervullen. Of is er meer aan de hand?
Versnelling
Wie de Emancipatiemonitor 2010 van het Sociaal Cultureel Planbureau leest, krijgt op zijn minst de indruk dat een versnelling van de ontwikkelingen voor de deur ligt. Het aantal topvrouwen stijgt, en het aantal vrouwen in het eerste en tweede echalon onder de raad van bestuur neemt toe. Met andere woorden: de kweekvijver wordt groter.
Maar wat vooral belangrijk is: de ontwikkelingen bij de jonge generaties vrouwen gaan veel sneller dan bij de oudere generaties vrouwen. Meisjes doen het beter op school dan de jongens. Zitten vaker op havo, vwo en de hoogste niveaus van het mbo. Ze blijven minder vaak zitten, maken hun school ook af. Meer dan de helft van het aantal studenten bestaat uit vrouwen. En ook daar zijn ze succesvoller.
Bijna alle jonge vrouwen (96 procent) zijn net zo ambitieus als hun mannelijke leeftijdgenoten. Ze vinden het belangrijk een eigen inkomen te hebben en niet financieel afhankelijk te zijn. En ze willen ook liever dan de oudere generaties een toppositie bereiken. Dus, concludeert het SCP, jonge vrouwen lijken - als het om hun ideeën over werk en inkomen gaat - steeds meer op mannen.
En tweeverdieners zijn ook steeds meer echt tweeverdieners. Jonge vrouwen verdienen steeds vaker meer dan hun mannelijke partner. Van de vrouwen onder de 25 jaar verdient 43 procent meer, terwijl dat onder 55 tot 65-jarigen 14 procent is.
Meer ambitieuze vrouwen op de arbeidsmarkt en meer vrouwen in de kweekvijver betekenen nog niet dat zij ook daadwerkelijk meteen doorstromen naar de top. Mannen die nu in de top van het bedrijfsleven zitten, zijn vaak voor een periode van zes tot twaalf jaar of ‘zelfs’ onbepaalde tijd benoemd. Als vrouwen willen doorstromen, zullen er toch eerst vacatures moeten ontstaan. Met andere woorden: quota of geen quota: enig geduld is geboden.
Ook uit het buitenland blijkt dat quota wellicht minder impact hebben dan de aanhangers zouden hopen. Nederlandse vrouwen in hogere managementfuncties mogen dan iets minder hoog scoren (29 procent) dan het Europees gemiddelde (32,8 procent). Toch brengen ze het er altijd nog veel beter af dan de Noorse vrouwen, die ‘geholpen worden’ door een wettelijk quotum. Van de Noorse vrouwen bereikt 21 procent een hoge managementfunctie.
Wat ook opvalt, is dat vooral in Frankrijk, Spanje en Italië veel vrouwen in hoge managementfuncties te vinden zijn. Maar de meeste vrouwen (tussen 70 en 80 procent) hebben daar een voltijdbaan. In Nederland geldt dat slechts voor ongeveer een kwart van de vrouwen (tegenover de helft tot driekwart elders in Europa). Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) blijkt ook dat het grootste deel van de fulltime werkende vrouwen te vinden is in de aanstormende generatie van 15-35 jaar.
Goede kant
Als de signalen niet bedriegen, slaan dus bijna alle emancipatiemeters inmiddels de goede kant uit. De nieuwe generatie vrouwen zou wel eens voor een grote inhaalslag kunnen zorgen. Niet meteen natuurlijk. Mannen hebben ook geen functie in een raad van bestuur of commissarissen zodra uit de schoolbanken weg zijn. Daar gaat wat tijd overheen. Gemiddeld is een lid van de raad van bestuur 58 jaar oud (Europees gemiddelde volgens ondezoek van Egon Zehnder International). Waarmee overigens niet gezegd is dat vrouwen eerst maar eens 58 jaar moeten zijn, voordat ze aan een topfunctie mogen denken.
Betekent dit dan het allemaal vanzelf goed komt met de topvrouwen? Dat nu ook weer niet. Het bedrijfsleven is niet voor niets begonnen met initiatieven als het Charter naar de top. Bedrijven tekenen daarmee voor het daadwerkelijk realiseren van verbeteringen. Al was het maar omdat een mens – en dat is nu dus in de meeste gevallen nog een man – van nature geneigd is op zeker te spelen. Geen experimenten dus met het aannemen van vrouwen.
Maar hoe menselijk dit gedrag ook mag zijn, bedrijven snijden zichzelf in de vingers als ze niet zorgen dat de samenstelling van hun raden van bestuur en commissarissen meer divers zijn. Uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat gemengde bestuursteams veel beter presteren: meer omzet, meer winst, meer winst per aandeel (lees ook het kader ‘Meer vrouwen, beter resultaat’). Wettelijke quota, zoals in Noorwegen, lijken dan misschien aantrekkelijk om snel resultaat te boeken. Maar dat zijn ze niet, zegt hoogleraar Mirjam van Praag (Universiteit van Amsterdam). "Op de korte termijn zijn quota zelf schadelijk voor bedrijven", zegt ze. Het leidt tot paniekvoetbal. "Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat de prestaties van de Noorse bedrijven die aan de quota moesten voldoen, slechter waren. Niet omdat er vrouwen in de besturen kwamen, maar omdat die vrouw jong en onervaren waren." Dat toont volgens Van Praag aan hoe belangrijk het is om een goede kweekvijver aan te leggen. "Paniekvoetbal is niet nodig als er in de lagen onder de raad van bestuur voldoende capabele vrouwen zitten."
Mirjam van Praag (UvA)
‘Meer vrouwen, beter resultaat’
Het is vaak verondersteld, maar volgens hoogleraar Mirjam van Praag is er nu ook enig bewijs. Een meer divers samengesteld topteam zorgt ervoor dat een bedrijf beter gaat presteren. Van Praag is als hoogleraar ondernemerschap en organisatie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en ze is wetenschappelijk directeur van het Amsterdam Center for Entrepreneurship. Samen met collega’s Hoogendoorn en Oosterbeek deed ze onderzoek naar het effect van het aantal vrouwen en mannen op bedrijfsresultaten. "Bedrijven met 50 tot 60 procent vrouwen aan het roer behaalden de meeste omzet, boekten de meeste winst en winst per aandeel."
Om een causaal verband aan te tonen tussen diversiteit en prestaties, stelden Van Praag en haar collega’s 45 teams van studenten samen die allemaal meededen aan het programma Jong Ondernemerschap van de Hogeschool van Amsterdam. De teams werden zo ingedeeld dat ze volstrekt vergelijkbaar waren met slechts een uitzondering: het aantal mannen en vrouwen per team. Al waren ze wel allemaal van gelijk kaliber. Onder gelijke omstandigheden richtten de studenten naar keuze allerlei soorten bedrijven op en hun teams functioneerden als besturen van ‘echte bedrijven’. "Daardoor konden we een goede vergelijking maken", zegt Van Praag. En wat bleek? Hoe evenwichtiger de verhouding man/vrouw, hoe beter het bedrijfsresultaat. "Teams met 50 tot 60 procent vrouwen scoorden het best. Ze controleren elkaar beter, houden elkaar beter bij de les en dat levert dus ook betere resultaten op."
Vijftig procent vrouwen in plaats van 40 leverde een gemiddelde omzettoename van circa 6 à 7 procent op. Van Praag: "Het is natuurlijk geen garantie dat die 10 procent extra meer omzet oplevert. Maar het is opvallend dat het blijkbaar veel kan uitmaken."
Volgens Van Praag toont het onderzoek in elk geval aan dat het belangrijk is voor bedrijven om meer vrouwen aan te nemen. "Maar dan moet het wel gaan om vrouwen van hetzelfde kaliber als de mannen. Ik denk dat dit nu nog niet altijd het geval is." Dus moeten bedrijven meer moeite doen goede vrouwen aan zich te binden, vindt Van Praag. "Daarvoor is dit onderzoek een extra motivatie."
Toch is Van Praag geen voorstander van quota. Maar haar onderzoek heeft wel duidelijk gemaakt, dan is het doel van quota (meer vertegenwoordiging van vrouwen aan de top) begerenswaardig is, vindt ze. Alleen of het middel dat doel heiligt, waagt Van Praag te betwijfelen.
Jiska Vijselaar
vijselaar@vno-ncw.nl