14-06-2012 - Staatssecretaris van Milieu Joop Atsma verwacht niet dat er grote stappen worden gezet op de duurzaamheidstop in Rio. Toch gaat hij er heen, al is het maar om Nederlandse bedrijven in de schijnwerpers te zetten. ‘Het bedrijfsleven moet de trekker zijn in het duurzaamheidbeleid.’
Meneer Atsma, een citaat: ‘Conferenties als in Rio hebben iets vreselijks. Tienduizenden mensen worden ingevlogen om allemaal dezelfde mantra’s over duurzaamheid te herhalen en eindeloos te touwtrekken om woordjes in een vrijblijvende slotverklaring.’ Wat is uw reactie daarop?
‘Ik herken mij daar niet in. Over elke grote conferentie heb je dezelfde discussie: wat is de toegevoegde waarde? Maar je zit toch met alle landen aan tafel met de ambitie om tot maatregelen te komen. Het wordt lastig in Rio, maar het gaat ook om de vraag of je kleine stappen kunt zetten. Elke mogelijkheid die je krijgt om aan de wereldtafel onderwerpen bespreekbaar te maken, moet je aangrijpen. Dat is direct in het belang van Nederland. Je moet niet op voorhand het hoofd in de schoot leggen. Dus ik kan niets met dit soort citaten, waaruit een zekere zwartgalligheid spreekt.’
Het citaat is van Ben Knapen, uw collega van Ontwikkelingssamenwerking en tevens delegatieleider in Rio. (Lees hier de complete speech van Knapen; red.)
Met een glimlach: ‘Ja, het nuanceverschil tussen ons was al opgevallen. Maar in Rio hebben we dezelfde boodschap.’
Wat wilt u daar bereiken?
‘Het hoofdthema is helder: er moeten stappen worden gezet naar de verduurzaming van de wereldeconomie in 2050. De vraag is welke bijdrage Nederland daaraan kan leveren met de ervaring die het Nederlandse bedrijfsleven, dat prominent aanwezig is in Rio, heeft opgebouwd.’
‘Ik denk dan bijvoorbeeld aan afvalverwerking. Afval is wereldwijd een van de grootste problemen. Nederland loopt voorop in de Europese Unie met het gebruik van afval als grondstof. Wij hebben de ambitie om binnen een paar jaar 83 procent van het afval te hergebruiken, en nog hooguit 4 procent te storten. In andere landen wordt juist nog maar 4 procent hergebruikt. Dus kunnen we in Rio laten zien wat je met afval kunt doen.’
‘Ook kunnen we vervuild water opleveren als schoon water. Uit het slib dat achterblijft, kun je biogas halen. Wereldsteden hebben daar belangstelling voor. Net als voor ons mobiliteitsplan om in drukke steden meer gebruik te maken van de fiets en het openbaar vervoer. De fiets is makkelijk, schoon en voor iedereen binnen handbereik. Een oeroude Hollandse oplossing voor een modern probleem.’
Het is dus eigenlijk een handelsmissie?
‘Bij alle bezoeken aan het buitenland stel ik me de vraag wat dit kan betekenen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Het begint met de vraag hoe je anderen kunt helpen, maar als je daar toegevoegde waarde aan kunt geven door het Nederlandse bedrijfsleven in te schakelen, moet je dat altijd doen.’
‘In mijn achterhoofd heb ik ook altijd de gedachte dat het geld dat wij als overheid uitgeven, moet worden opgebracht door de belastingbetaler, dus de burger en het bedrijfsleven. Dat is ook een reden voor mij om de belangen van het bedrijfsleven goed in het oog te houden.’
Het is een ongewoon geluid uit de hoek van het voormalige milieudepartement, na al die jaren waarin milieu en economie tegenover elkaar leken te staan. Atsma lijkt dan ook een vreemde eend in de bijt. Zo hangt in zijn werkkamer een groot klassiek schilderij met een stilleven van een dood kalf. Niet een beeld dat je met duurzaamheid associeert. Het blijkt echter een moderne aanklacht tegen het mond- en klauwzeerbeleid van tien jaar geleden te zijn. Ook Atsma, zoon van een melkveehouder, was tegen het preventief ruimen van gezonde dieren.
Hij erkent dat de verhouding tussen bedrijfsleven en politiek behoorlijk is veranderd. Als voorbeeld noemt hij de onderhandelingen in Europees verband over nieuwe CO2-reductiedoelstellingen. ‘Er is destijds veel gesteggel geweest over de doelstelling om in 2020 tot 20 procent reductie te komen. Uiteindelijk moet de reductie 95 procent zijn in 2050. Dan heb je de neiging om eerst maar eens te kijken hoe we er in 2020 voor staan. Het bedrijfsleven heeft echter gezegd dat het liever zo snel mogelijk duidelijkheid heeft, zodat de investeringsplannen daarop kunnen worden afgestemd. Uiteindelijk zijn we zo op 40 procent reductie in 2030 gekomen. Daar kan het bedrijfsleven prima mee leven, op voorwaarde dat er niet bij elke kabinetswisseling aan dat percentage wordt gemorreld.’
Geen dictaat meer van de overheid maar ruimte geven aan bedrijven?
‘Ja, het bedrijfsleven moet de trekker zijn in het duurzaamheidbeleid en aangeven wat de reële grenzen zijn waarbinnen het kan opereren. Dat is gebeurd op het terrein van duurzaam inkopen, een van de eerste onderwerpen waarmee ik te maken kreeg.’ ‘Ondernemingsorganisaties, waaronder VNO-NCW, gaven aan dat het systeem van duurzaam inkopen door ingewikkeldheid uit de hand liep. Ik kon dat op dat moment nog niet beoordelen, maar als het bedrijfsleven dat collectief zegt, moet je er wat mee doen. Ik heb ze toen bij elkaar geroepen en gevraagd een advies uit te brengen, met als uitgangspunt dat duurzaam inkopen vanzelfsprekend moet zijn. Binnen drie maanden lag dat advies er, en dat voeren we nu in.’
‘Maatregelen moeten haalbaar en betaalbaar zijn, en dan niet alleen voor de voorlopers. Die zijn goed bezig en bepalen de richting. Het peloton van bedrijven dat daar achter komt, moet het wel kunnen bijhouden. De achterblijvers moet je prikkelen. Dat doen we niet met sancties, maar bijvoorbeeld met het aanbieden van professionele kennis op het gebied van inkoop. Kleine bedrijven en lagere overheden hebben dat niet altijd zelf in huis. De overheid is zo geen hinder- maar een meewerkmacht.’
Moesten uw ambtenaren niet wennen aan die nieuwe rol?
‘Ik heb nooit gevoeld dat het een probleem was. Het is ook niet zo dat het kabinet de koers 180 graden heeft verlegd. Het zit ook in de tijdgeest, het besef dat het bedrijfsleven de trekker kan zijn van processen. Daarnaast zit je als overheid met de beperking dat uitgaven onder druk staan.’
Is op het ministerie niet gejuicht toen het kabinet viel? Lekker terug naar af?
‘Nou, ik heb nergens slingers zien hangen of gebak zien rondgaan. Ik merk alleen maar loyaliteit bij de ambtenaren. Vroeger is geweest. We moeten vooruit kijken, en dan is het mijn punt van zorg dat er nu een anti-Europastemming wordt gekweekt. Dat zou met name voor het bedrijfsleven funest zijn. De klok zal dan heel ver terug gaan.’
Bent u niet bang dat een nieuw, links kabinet uw duurzaamheidbeleid terugdraait?
‘Nee, ik acht die kans niet zo reëel. Ik geloof niet dat er een hang is naar een terugkeer van een zelfstandig ministerie van Milieu. Het is juist goed dat het beleid nu integraal wordt aangepakt. Vanaf dag één dat over een infrastructureel project wordt gesproken, worden luchtkwaliteit en geluidsoverlast meegenomen. Zo is dat ook gebeurd bij de verhoging van de maximum snelheid naar 130 kilometer.’
Wat moet een volgend kabinet in elk geval níet doen?
‘Het gezicht afwenden van het bedrijfsleven en denken dat het duurzaamheidbeleid op 12 hoog vanuit een ministerie in Den Haag kan worden bepaald.’
Wat laat u liggen?
‘We moeten Schiphol en Amsterdam als motor van de economie overeind houden door de internationale hubfunctie van Schiphol te verankeren. Die staat extra onder druk door de ontwikkelingen rond het ETS-systeem (Europese emissiehandel; red.). De politiek en het bedrijfsleven hebben destijds voluit ja gezegd tegen ETS in de luchtvaart, maar zich onvoldoende gerealiseerd dat het systeem alleen werkt als het wereldwijd wordt toegepast. Vliegtuigmaatschappijen buiten Europa willen geen emissierechten kopen en overwegen uit te wijken naar vliegvelden buiten de EU. Dat levert meer vliegbewegingen op en betekent een verlies aan bedrijvigheid voor Nederland.’
‘Nederland wordt in verhouding, door die hubfunctie, hard geraakt. Met dit type afspraken moet je als wereldafhankelijk land garanderen dat er wereldwijde afspraken komen. Daar wil ik het in Rio ook over hebben.’
‘Met het waterbeleid ben je nooit klaar. Water is een steeds terugkerend probleem in Nederland. Het kan te veel of juist te weinig zijn. Denk aan de droogteperiode van vorig jaar, toen er weinig zoetwater binnenkwam via de rivieren en de voorraadbuffers leeg liepen. Dan moet je kiezen wie je het eerst en wie je het laatst van water voorziet. Het bedrijfsleven is een van de eerste sectoren die dan zijn vinger opsteekt. Maar ik hoor ook wel eens: kan het niet wat minder met die waterambities?’
Wat gaat u zelf doen?
‘Ik heb de ambitie om door te gaan op dit departement. Maar dat is niet aan mij. Een terugkeer in de Kamer zou ik niet als een stap terug zien. Het is een andere rol dan die van staatsecretaris, maar ik speel ze allebei met overtuiging. Dat betekent onder meer bereikbaar zijn voor iedereen. De lijnen zijn soms helemaal gebureaucratiseerd, en dan geven korte lijnen juist de kracht van de politiek aan. De politiek moet zich niet afsluiten in haar eigen wereld, maar onderdeel zijn van de maatschappij. Dus zowel Bernard Wientjes als een ondernemer uit mijn eigen dorp Surhuisterveen kan mij bellen.’
Wie is Joop Atsma?
Na een niet voltooide studie geschiedenis begon Joop Atsma (55) in 1978 als journalist. Daarnaast begon hij een pr- en organisatiebureau. In 1991 werd hij voor het CDA lid van de Provinciale Staten van Friesland. Zeven jaar later volgde de gang naar de Tweede Kamer. Sinds 2010 is hij staatssecretaris op het ministerie van Infrastructuur en Milieu, met milieu, water en luchtvaart in zijn portefeuille.
Rio+20
De landen van de Verenigde Naties komen van 20 tot en met 22 juni samen in Rio de Janeiro voor de United Nations Conference on Sustainable Development. Twintig jaar geleden vond de eerste conferentie daar plaats. De twee hoofdthema’s zijn groene economie en duurzame ontwikkeling. De onderhandelingen over een slotdocument verlopen moeizaam tot dusver. Ontwikkelingslanden willen financiering en technologieoverdracht, maar donorlanden willen niets toezeggen in tijden van crisis.
Paul Scheer
scheer@vno-ncw.nl