11-02-2010 - De Chinese draak laat zijn tanden zien. In economisch opzicht is het land niet tegen te houden. Moeten we bang zijn voor machtsmisbruik door ‘het gele gevaar’?
Het leek een storm in een glas water. Nederlandse vestigingen van het Finse Wärtsilä, producent van scheepsmotoren en –schroeven, zouden naar China worden verplaatst op last van de Chinese autoriteiten. Die willen namelijk dat alle Chinese producten, in dit geval schepen, geheel lokaal worden geproduceerd.
Wärtsilä kwam al snel met een nuancering: de vestigingen verhuizen naar China omdat daar de markt is, niet omdat er van dwang sprake zou zijn. Staatssecretaris Frank Heemskerk van Economische Zaken wilde de zaak toch laten onderzoeken. Er zouden meer signalen zijn van bedrijven die van dwang spreken. Een week later meldde hij dat de Nederlandse ambassade in Beijing geen Chinese wet- of regelgeving was tegengekomen die buitenlandse bedrijven tot verplaatsing dwingt. Heemskerk en de ambassade blijven de boel in de gaten houden, maar verder wordt geen actie ondernomen.
Zaak gesloten, zou je denken. Maar dat is te makkelijk gedacht. Er is wel degelijk iets aan de hand met China. De economische grootmacht blaakt van zelfvertrouwen. De huidige crisis doet daar weinig afbreuk aan. In vergelijking met Europa en de Verenigde Staten slaat China zich er redelijk goed doorheen. De Amerikaanse financiële sector wordt zelfs met vele miljarden van Chinese staatsbedrijven in leven gehouden. Het land kan daardoor meer eisen stellen. En dat hoeft niet in officiële termen te zijn. Je hebt dwang en dwang. Het bewerken van handelspartners is een fijn spel. Je hoeft ze niet openlijk onder druk te zetten, maar je kunt natuurlijk wel laten doorschemeren dat het ‘verstandig’ zou zijn om dichtbij de markt, in China dus, te produceren.
Corruptie
Wat China officieel uitdraagt, is niet één op één wat het ook echt wil. Het streven naar producten die honderd procent made in China zijn, is bijvoorbeeld geen officieel beleid. Maar China is er ondertussen wel op uit om alle sleuteltechnologieën in eigen huis te halen, want in technologisch opzicht heeft het nog een achterstand. Chinese werknemers kunnen in vestigingen van buitenlandse bedrijven het vak leren en letterlijk de kunst afkijken. Daarbij worden de regels van industriële eigendom niet altijd gerespecteerd. Bekend is het voorbeeld van Europese autofabrikanten die erachter kwamen dat onderdelen waar zij patent op hadden na verloop van tijd ook onder de kap van Chinese automerken te vinden waren. Het is de oude Japanse aanpak: eerst een paar jaar imiteren en dan zelf verbeteringen doorvoeren.
In zo’n geval kun je naar de rechter stappen, maar bedrijven moeten zich vooraf de vraag stellen wat dat zal opleveren. In de Chinese provincie tiert de corruptie welig en wordt wetgeving in de praktijk niet altijd gerespecteerd. De centrale overheid heeft daar weinig grip op. Bovendien zetten dit soort ‘handelsconflicten’ kwaad bloed bij de gastheer. Kleinere bedrijven kunnen in dit soort gevallen nog wel eens besluiten om hun Chinese avontuur voor gezien te houden. Grote bedrijven nemen het op de koop toe.
Dat China aan zet is, uit zich op verschillende terreinen. Zo keerde het land zich onlangs tegen voorgenomen Amerikaanse wapenleveranties aan de ‘afvallige Chinese provincie’ Taiwan. De Amerikaanse bedrijven die bij deze leveranties betrokken zijn, kunnen rekenen op economische sancties. Eerder liet China zich gelden op de klimaattop in Kopenhagen. De Amerikaanse president Barack Obama voelde zich ‘gepiepeld’ door de Chinezen toen hij werd afgescheept met een onderminister, terwijl premier Wen Jiaobao op dat moment apart overlegde met de leiders van India, Zuid-Afrika en Brazilië. Obama besloot zichzelf maar uit te nodigen voor het overleg, dat het eindcompromis van Kopenhagen opleverde. De Europese Unie was overigens in geen velden of wegen te zien.
Sappelen
Met een China dat economisch alleen maar groeit en een VS en Europa die vooral de crisis proberen te overleven, dringt de vraag zich op hoever de Chinezen zullen gaan in hun machtshonger. Ingrid d’Hooghe, China-specialist bij Instituut Clingendael, maakt zich daar voorlopig niet al te grote zorgen over. Volgens haar moet het Westen zeker alert blijven, maar heeft China op dit moment vooral de handen vol aan zichzelf. "We moeten wel een plaats aan de onderhandelingstafel inruimen voor China, maar het land is niet op zoek naar een leidende rol in de wereld. Het weet dat het eerst zelf nog een aantal economische problemen heeft op te lossen. Volgens president Hu Jintao is dat ook van internationaal belang."
Een belangrijke opgave is de ontwikkeling van de binnenlandse economie, in het bijzonder de binnenlandse consumptie. China leunt erg sterk op de export, en dat is zeker in crisistijd een onzekere factor. Vorig jaar is de uitvoer met een kwart gedaald. Tien tot twintig miljoen Chinezen kwamen op straat te staat. Japan geldt in deze als negatief voorbeeld: dat zette destijds alles op de export en verwaarloosde de binnenlandse consumptie. Het land plukte de afgelopen twintig jaar de wrange vruchten van dat beleid.
Het op gang brengen van de binnenlandse economie moet ook de politieke stabiliteit garanderen. China mag dan het imago hebben van een bloeiende industriële natie met snel groeiende steden, het merendeel van de bevolking moet nog steeds sappelen op het platteland. Als die arme boeren massaal naar de steden trekken, zou dat tot maatschappelijke ontwrichting kunnen leiden. Dat deel van de bevolking moet ook gaan meedelen in de nieuwe welvaart. En dus mee kunnen consumeren.
Een ander probleem, of meer een punt van internationale kritiek, is de wisselkoers van de yuan. Die wordt in de ogen van het buitenland kunstmatig laag gehouden, ten gunste van de exportpositie van China. Die lage koers zou de VS en de Europese Unie ertoe aan kunnen zetten om protectionistische maatregelen te nemen tegen Chinese producten. Als China reageert met eigen protectionistische maatregelen, zitten we zo middenin een internationaal handelsconflict.
Monopolie
Op dit moment wordt China eerder geconfronteerd met hoge invoertarieven dan dat het die zelf uitvaardigt. Dat kan snel veranderen, gegeven de meer assertieve opstelling op het wereldtoneel. Een eerste aanwijzing daarvoor is de dumpingtaks die China oplegt aan Amerikaanse en Russische producenten van een speciale staalsoort die wordt gebruikt in elektrische transformatoren. Volgens China werken de Amerikanen en de Russen onder de kostprijs. Het bijzondere van de maatregel is dat dit de eerste dumpingtaks is die de Chinezen opleggen. Tot dusver kregen zij ze alleen zelf opgelegd.
China laat zich ook gelden op de grondstoffenmarkt. In Afrika worden miljarden geïnvesteerd in de grond- en delfstofwinning. Zo komt 18 procent van de Chinese oliebehoefte uit Angola. Zelf heeft China 95 procent van de productie van zeldzame aardmetalen in handen. Die zijn nodig voor consumentenelektronica als mobiele telefoons, camera’s en computers.
Wie de opkomst van China ziet als een geel gevaar, kan in dit grondstofbeleid de dreiging van een monopoliepositie zien. Straks is het Westen voor zijn grondstofvoorziening afhankelijk van de welwillendheid van de Chinezen. Ingrid d’Hooghe van Clingendael ziet dat nog niet snel gebeuren. "China is bezig om het eigen gebruik van grondstoffen veilig te stellen door de aanvoerroutes te diversifiëren, het streeft niet naar een monopolie. Het wil gewoon niet van één continent afhankelijk zijn. China is hierin heel strategisch, daar kan het Westen een voorbeeld aan nemen. De les is dat wij onze belangen beter moeten behartigen."
D’Hooghe erkent dat China baat heeft bij de centralistische aansturing van het land. Daardoor is het mogelijk om een langetermijnbeleid te voeren, ongeacht wat de bevolking daarvan vindt. In Nederland reikt de blik van politici vaak niet verder dan de vier jaar van een kabinetsperiode. Nu zou het kunnen dat ook China niet ontkomt aan een proces van democratisering, maar veel beweging is er op dat vlak niet te bespeuren. De bevolking ziet in dat de stijgende welvaart samenhangt met de aansturing vanuit Beijing. Het regime wordt daardoor als het ware gelegitimeerd.
Het Westen staat erbij en kijkt ernaar. De ontwikkeling van China is niet tegen te houden. Voor Nederland, in Europa de tweede handelspartner van China (na Duitsland), zit er niets anders op dan die ontwikkeling nauwlettend te volgen en er waar mogelijk op in te spelen. Op zich hebben we niet zoveel te vrezen. Want gaat het economisch goed met China, dan gaat het ook goed met ons.
Iets minder groei
De Chinese economie krijgt ook klappen van de mondiale crisis. Na een economische groei van 11,9 procent in 2007 is de groei in 2008 en 2009 blijven steken op 9 en 8,7 procent. Er is een tekort aan grondstoffen en energie, en tegelijkertijd is sprake van overcapaciteit in sectoren als staal, auto’s en bouw. De Chinese overheid investeert in reactie op de crisis 458 miljard euro in het stimuleren van de binnenlandse economie.
Handelspartners
Nederland is een belangrijke handelspartner voor China, onder meer vanwege de functie van Rotterdam als doorvoerhaven voor Chinese producten naar het Europese vasteland.
Zelf importeerde Nederland in 2008 goederen ter waarde van 27 miljard euro uit China. De tegenwaarde van de export bedroeg 3,8 miljard euro. De beide exportpakketten zijn complementair. Nederland exporteert vooral landbouwproducten en grondstoffen, China exporteert halffabricaten, machines en kleding.
Paul Scheer
scheer@vno-ncw.nl