20-04-2006 - Oliemaatschappijen moeten benzine en diesel gedeeltelijk vervangen door biobrandstof. Het gaat nu nog om kleine percentages, maar de boodschap is duidelijk: bio-energie heeft toekomst. En niet alleen in de benzinetank.
Wat hebben dode bomen, slachtafval, koolzaad, stro, varkensmest, zonnebloempitten en frituurvet met elkaar gemeen? Dat ze energie kunnen leveren! En derhalve in het middelpunt van de belangstelling staan. Duurzame bronnen moeten op termijn immers de rol van aardolie en aardgas overnemen. Zou het niet mooi zijn als biologisch afbreekbare grondstoffen, kortweg biobrandstoffen, in dat gat konden springen?
Dat kunnen ze. Althans, technisch. Dat het ook economisch niet onmogelijk is, bewijst bijvoorbeeld Brazilië, waar duurzaam bio-ethanol als transportbrandstof goedkoper is dan benzine. De noodzaak om alternatieven te vinden wordt door de hoge olieprijs en door het broeikaseffect steeds meer gevoeld. Wat let ons dan om grootschalig over te schakelen op energie uit groene grondstoffen?
Landbouwminister Veerman verbeeldde de huidige situatie onlangs treffend: "We staan met z'n allen in de startblokken. Maar wie geeft het startschot?" Oud-DSM-bestuurder Paul Hamm, die het platform Groene Grondstoffen van het ministerie van Economische Zaken voorzit, ziet wel wat in dat beeld. "Er is beweging, maar het is niet veel meer dan wat aarzelend geschuifel op de plek." De reden? "Nederland is niet revolutionair genoeg. We zijn hier altijd bezig met uitzoeken waarom iets niet kan. Topmensen bij bedrijven in dit land zijn van nature beheerders. Voor nieuwe dingen heb je ondernemers nodig, mensen die bereid zijn hun geld en hun naam in de waagschaal te stellen."
Voordelen
Naast de geijkte redenen om de afhankelijkheid van olie en gas te willen verminderen, heeft biomassa enkele bijkomende voordelen. Zo biedt de ontwikkeling ervan kansen voor nieuwe economische activiteiten. En biomassa lost een deel van de reststromen op; die vormen immers de bron voor nieuwe energie. Maar het belangrijkste voordeel van biomassa boven andere duurzame alternatieven, is de brede toepasbaarheid.
"Natuurlijk, een windmolen is in de productie relatief eenvoudig", zegt Wolter Elbersen, senior onderzoeker bio-energie en biomassaconversie bij Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR). "Zet 'm neer, wacht tot het gaat waaien, en hij levert stroom. Bij bio-energie komt meer kijken. Je kunt een centrale neerzetten, maar je hebt ook een constante toevoer van biomassa nodig. En aan het einde van het proces moet je de restproducten afvoeren, zoals as. Daar staat tegenover dat je windenergie niet in de tank van je auto kunt stoppen en voor toepassingen in de chemie is het evenmin geschikt. Ook in een kerncentrale kun je alleen elektriciteit opwekken; daar vervang je geen olie mee. Biomassa biedt al die verschillende mogelijkheden wel."
De bijdrage van biobrandstoffen in de benzine- of dieseltank vormt dus slechts een deel van het verhaal. De belangstelling voor dat deel is echter ongekend groot, omdat het kabinet voor het eerst een wettelijke verplichting heeft vastgesteld voor de bijmenging van 5,75 procent biobrandstof in benzine en diesel.
"Een serieuze en ambitieuze stap", vindt Ewald Breunesse, transitiemanager bij Shell en ook lid van een EZ-platform, dat van duurzame mobiliteit. "Als percentage lijkt het misschien weinig, maar als je het vertaalt naar liters dan is het best heel veel. Meer dan we van Nederlandse bodem kunnen halen, bijvoorbeeld. Daarnaast biedt het zekerheid aan de industrie. Er ligt nu een volume vast in de markt."
Sneller
Breunesse vindt dat Van Geel met zijn verplichting het startschot voor Veermans 'race' naar een bio-based economy heeft gegeven. Paul Hamm van het groene-grondstoffenplatform toont zich minder onder de indruk. Hij wil eigenlijk veel sneller. Zijn stelling is dat in 2030 eenderde van alle primaire energie in Nederland moet voortkomen uit biomassa. In het verkeer voorziet hij tegen die tijd zelfs een aandeel van 60 procent biobrandstof.
Dat is een stevige ambitie, die beduidend verder gaat dan de plannen van het kabinet om in de periode tot 2020 naar tien procent duurzame energie (dus inclusief windparken op zee en zonne-energie) te komen. Hamm wil de horizon ook best wat dichterbij leggen. Op de vraag wanneer hij tevreden is over de missie van zijn platform, zegt hij: "Als groene grondstoffen in 2015 een aandeel leveren van 10 tot 12 procent van onze energievraag, zijn we goed op weg." Afgelopen jaar lag dat aandeel in Nederland op 1,8 procent.
De weg is dus nog lang, maar niet onbegaanbaar. Hamms platform liet Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en de WUR onderzoek doen naar de haalbaarheid. Zonder zich in de hogere wiskunde te verliezen, maakt hij hardop het rekensommetje. "We gaan uit van 3.000 petajoule aan totaalverbruik in Nederland. Iets minder dan nu, maar dat is gezien de energiebesparingstrajecten en de vergrijzing niet onlogisch. Dat betekent dus dat 1.000 petajoule uit biomassa moet komen."
Eén petajoule komt overeen met 278 miljoen kilowattuur aan elektriciteit of 32 miljoen kuub aardgas. Het gaat dus om grote getallen. Hamm rekent voor dat, mits we er hard aan trekken, in Nederland biomassa beschikbaar is voor ongeveer 450 petajoule aan energie, de rest moet uit importen komen.
Biomassa kan uit drie ‘stromen’ voortkomen. Allereerst zijn er de primaire bijproducten, restjes die bij de bron vrijkomen. Stro, bermgras, snoeihout en kasafval zijn de bekendste voorbeelden. Secundaire en tertiaire bijproducten komen verderop in processen vrij, respectievelijk als reststroom (aardappelschillen, bietenpulp, zaagsel) of als recyclebaar materiaal (frituurvet, slachtafval, oud papier). Als binnenlandse bron fungeren ook landbouwgewassen zoals suikerbieten en koolzaad, speciaal voor dit doel geteeld.
Kansen dus voor landbouwers, die we echter ook weer niet mogen overschatten, stelt Elbersen (WUR). "We zijn in dit land vooral afhankelijk van bijproducten, omdat we nu eenmaal de ruimte niet hebben om echt grootschalig energiegewassen te telen. We hebben hier geen gigahoeveelheden stro, bos of braakliggende stukken land. Daarom moet je het óók elders zoeken, bijvoorbeeld in de voedingsindustrie. Nu worden de grote reststromen uit de fabrieken verwerkt tot veevoer, maar door diverse crises in die sector ontstaat een behoefte aan alternatieve toepassingen. Bio-energie is dan een aantrekkelijke optie."
Kansen zijn in dit opzicht ook risico's, waarschuwt Breunesse van Shell. "Een probleem met biobrandstoffen van de eerste generatie, waarvan we nu nog vooral afhankelijk zijn, is dat ze concurreren met de voedselketen. Producten als suiker en maïs zijn niet onbeperkt voorradig, dus kan grootschalig gebruik in de bio-energie repercussies hebben voor de voedselvoorziening in de wereld. De komende generatie biobrandstoffen richt zich meer op de reststromen. Wil je die effectiever kunnen gebruiken, dan is nog wel het een en ander aan onderzoek en ontwikkeling nodig. Anders kun je ze nooit concurrerend in de markt zetten."
Volksaard
Er liggen dus mooie kansen voor diverse sectoren in het Nederlandse bedrijfsleven: landbouw, voedingsindustrie, maar ook chemie en haven- en logistieke activiteiten. Die worden nu nog maar mondjesmaat gegrepen.
Niet de stand van de techniek, niet de beschikbaarheid van grondstoffen, maar de Nederlandse volksaard vormt daarbij voor Hamm de belangrijkste show stopper: "Nederlanders zijn handelaren, geen ondernemers. Echt doorpakken is er in dit land te weinig bij, we zijn notoire aarzelaars. Dat brengt problemen met zich mee als je iets nieuws wilt implementeren."
Ook het optreden van de overheid vindt hij niet bevorderlijk. Hij mist een heldere lange-termijnstrategie en wijst erop dat minister Brinkhorst van Economische Zaken subsidies voor onder meer biomassaprojecten vorig jaar volkomen onverwacht stopzette.
Hamm: "Onvoorspelbaarheid is een slechte basis voor investeringen en belemmert de voortgang van de industrie. Daardoor is het buitenland ons steeds weer voor."
Wolter Elbersen vindt dat de ruimte voor ondernemers beperkt is. "De overheid zegt dat de markt het moet doen, maar bepaalt intussen wel de regels. Regelgeving op het gebied van mest is bepalend voor het rendement van een installatie die uit mest en restproducten duurzame elektriciteit en warmte produceert. Krijgt een ondernemer geld voor zijn mest, of moet betalen om het kwijt te kunnen? En hoe zit het met de milieuvergunningen? Dat soort vragen levert veel onzekerheid op. Haal die weg, en de ontwikkelingen schieten vooruit."
De vergelijking met buurlanden gaat niet altijd op, vervolgt hij. "Nederland gebruikt relatief veel aardgas. Frankrijk heeft een groter aandeel kernenergie en stoot daarom minder CO2 uit. Dan is biomassa minder dringend nodig als oplossing voor het klimaatprobleem. Of kijk eens naar de landbouwlobby. Omdat in ons land leegloop van het platteland geen groot probleem vormt, hebben de kansen die je creëert in bijvoorbeeld de teelt van 'energiegewassen' veel minder gewicht dan in Duitsland."
Canada
Is het buitenland dan toch weer voortvarender? Het heeft er alle schijn van. Ewald Breunesse noemt twee voorbeelden uit de Shell-praktijk. In Canada werkt het bedrijf samen met Iogen om ethanol uit stro te halen. In Duitsland loopt een project met Choren om uit houtachtige gewassen dieselolie te produceren. "Door dat soort initiatieven stap je ook meteen uit de concurrentie met de voedselketen", verklaart hij.
Dergelijke initiatieven in Nederland zijn nog niet voorhanden, of in ieder geval voor Shell niet veelbelovend genoeg om nu al partnerships aan te gaan. Toch ziet Breunesse kansen voor Nederland, bijvoorbeeld voor de Rotterdamse haven als aanlandings- en doorvoerlocatie van biomassa. "Maar ook de investering van Nedalco en de plannen om in de Amsterdamse haven een ethanol-fabriek te bouwen, geven aan dat de activiteiten op gang komen. Ook als niet alle basismaterialen van Nederlandse bodem komen, valt er op het gebied van fabricage, import, opslag en distributie nog heel wat aan bedrijvigheid te winnen."
Paul Hamm heeft intussen zichtbaar genoeg van het 'geschuifel op de plek' en wil aan de slag. Een belangrijke aanzet geven hij en andere platformvoorzitters later deze maand, als ze gezamenlijk een transitie-actieplan aanbieden aan minister Brinkhorst van Economische Zaken.
Daarin staat in scherpe bewoordingen wat er de komende jaren en daarna moet gebeuren. Stop met praten, ga het nu maar eens doen, vat Hamm in eigen woorden de kernboodschap samen. De regering moet structureel 1 tot 2 miljard euro per jaar investeren in energietransitie, betoogt hij. Het plan voorziet in een speciaal acceleratiefonds waarmee de overheid kan participeren in bedrijven.
Dat conflicteert niet met Europese subsidieregels; in Duitsland en Frankrijk gebeurt het al op grote schaal. Hamm: "Met kleine stapjes kom je er niet: dit moet grootschalig. Mijn voorstel? De mentaliteit van ambitieuze starters projecteren op middelgrote ondernemingen, ondersteund met publiek en privaat geld. Dat biedt de grootste slagingskans om echt iets van de grond te krijgen. Want nogmaals: we moeten nú in actie komen."
Nedalco in actie
De wettelijke verplichting tot bijmenging van biobrandstof zorgt voor een gegarandeerde afzet in de markt. Koninklijke Nedalco besloot daar direct op in te spelen.
De alcoholproducent met onder meer vestigingen in Bergen op Zoom en Sas van Gent kondigde investeringen tot 200 miljoen euro aan. Nedalco wil vanaf begin 2008 jaarlijks 220 miljoen liter bio-ethanol kunnen produceren. Dat is iets minder dan de helft van de noodzakelijke 500 miljoen liter die Nederland in 2010 nodig heeft om de 5,75 procent te halen.
Maar het bedrijf kijkt al verder. Gezien het aandeel van circa 20 procent dat de regio Rotterdam-Antwerpen levert aan de totale Europese hoeveelheid benzine en diesel, voorziet de directie een enorme toename van de bedrijvigheid in deze regio. De rekensom is simpel: om de norm te halen zijn in heel Europa zestig nieuwe biobrandstoffabrieken nodig. Dat zou voor deze regio twaalf nieuwe fabrieken betekenen.
Biobrandstof in de tank
Vanaf volgend jaar moeten benzine en diesel bij Nederlandse tankstations uit ten minste 2 procent biobrandstof bestaan. In 2010 gaat die norm naar 5,75 procent.
Die opdracht heeft staatssecretaris Pieter van Geel (Milieu) aan oliemaatschappijen gesteld. Hij sluit daarmee aan bij de Europese richtlijn voor bijmenging van biobrandstoffen. Doel is de uitstoot van koolstofdioxide te beperken en de afhankelijkheid van olie te verminderen. Dat brandstof aan de pomp voorlopig weer een paar cent per liter duurder wordt, nemen we op de koop toe.
Joop Daggers
forum@vno-ncw.nl