14-06-2012 - Terwijl tienduizenden Rio+20-gangers zich volgende week de blaren op de tong praten over duurzame ontwikkeling, maken Nederlandse ondernemers er alvast werk van. Vandaag zetten overheid en bedrijfsleven hun handtekening onder zo’n zestig nieuwe Green Deals.
Niet praten, maar doen. De Nederlandse Green Deal-aanpak heeft op het eerste oog maar weinig overeenkomsten met de VN-Conferentie die twintig jaar na de eerste grote Earth Summit van 1992 in Rio de Janeiro wordt gehouden. Gelukkig misschien maar, want het lijkt een uiterst lastige klus te worden om voor het eind van de maand 120 staatshoofden op één lijn te krijgen als het gaat om duurzame ontwikkeling.
Dichterbij huis zetten de Green Deals voorlopig meer zoden aan de dijk. Met die aanpak werd vorig jaar begonnen. Toen werden bijna zestig deals gesloten, deze week komen er nog eens zo’n zestig bij. Doel hiervan is om concrete, duurzame innovaties door bedrijven te stimuleren. Plannen genoeg namelijk, maar soms lopen ze onbedoeld stuk op complexe regelgeving of andere struikelblokken. In de Green Deals belooft de overheid dit soort hindernissen uit de weg te ruimen of een project op een andere manier een zetje te geven. Uiteindelijk moet dat de weg vrijmaken voor het op grotere schaal uitrollen van groene innovaties. Drie ondernemers vertellen hoe.
Hans Verhoeven, De Hoeve
'We vragen niet om subsidie'
Het duurzamer maken van varkensvlees. Hans Verhoeven is er met zijn bedrijf De Hoeve al vijftien jaar mee bezig. Als ketenregisseur lukte het om de 250 varkenshouderijen van de Keten Duurzaam Varkensvlees 15 procent minder energie te laten gebruiken dan gemiddeld. Maar Verhoeven wil meer. Daarom ligt er nu een Green Deal om investeringen in verdere verduurzaming van de grond te krijgen. Eind 2016 moeten alle deelnemende varkenshouderijen CO2-neutraal zijn.
Verhoeven: 'Ventilatie en verwarming. Daar gaat bij varkenshouderijen de meeste energie in zitten. Daarop valt nog veel te besparen. Punt is dat de rendementen in de sector zwaar onder druk staan. Boeren hebben simpelweg de middelen niet om te investeren. Neem bijvoorbeeld een ventilator van vijftien jaar oud. Die doet het nog prima. Met de modernste versie bespaar je 180 euro per jaar. Maar varkenshouders blijven braaf hun energierekening betalen. Dat kunnen ze namelijk nog wel opbrengen, die investering niet.'
'Het idee is dat wij bedrijven gaan screenen. Dan brengen we in kaart wat er te besparen valt, welke maatregelen daarvoor beschikbaar zijn en wat de terugverdientijd is. De investeringen worden betaald uit een fonds. Andere partijen kunnen daarin investeren en dat levert een goed rendement op. De energienota van de varkenshouderij wordt het budget waarmee hij kan afbetalen. Na vier, vijf jaar is zo'n ventilator dan zonder extra kosten afbetaald en gaat het geld opleveren.'
'De reden dat we hier ook de overheid bij nodig hebben, is niet omdat we subsidie willen. Wat speelt, is dat er altijd een klein risico is dat een bedrijf wordt gestaakt terwijl zo'n ventilator nog niet is afbetaald. Wij kunnen dat risico niet dragen. Maar als de overheid ervoor garant staat, heeft iedereen er voordeel van. Deze investeringen zijn immers ook belangrijk om de economie weer op gang te krijgen.'
Als een bedrijf zijn energieverbruik maximaal heeft teruggebracht, komen investeringen in eigen energieopwekking om de hoek kijken. 'Wij zijn aan het experimenteren met zonnepanelen die niet alleen elektriciteit leveren maar ook warmte. Die warmte kunnen we dan weer gebruiken om mest in te drogen.' Verhoeven is ook aan het bekijken of er ketenbreed geïnvesteerd kan worden. 'Het is heel moeilijk om bij een slachterij nog energie te besparen. Het levert meer op als zij zouden meehelpen om te investeren in een ander deel van de keten.' En Verhoeven denkt nóg groter: 'Als we het werkt, dan kan het zo bij houders van pluimvee of kalveren worden ingevoerd.'
Job Schipper, Hortimare
‘Steuntje in de rug nodig’
Zeewier. Liefhebbers van lekker eten kennen het ongetwijfeld als lekkernij. Maar er is veel meer mee mogelijk. Tenminste als zeewier op grotere schaal wordt geteeld. Dan kan het ook in de farmacie, chemie of voeding worden toegepast. ‘Voordat het zover is, moet nog wel veel experimenteerwerk worden gedaan’, stelt Job Schipper. ‘En moeten de nodige hindernissen worden geslecht op het gebied van onder meer wet- en regelgeving.’
Hortimare, het bedrijf van Schipper, richt zich vooral op de vermeerdering van zeewier, een beetje op de manier als in de zaadteelt. ‘We leveren het zogenoemde uitgangsmateriaal van zeewier. Het is nog niet zover dat er zeeboeren bij me aankloppen om dat bij mij te kopen. Maar ik ben er van overtuigd dat dit een enorme potentie heeft. Met dat in het achterhoofd ben ik met dit bedrijf begonnen.’
Schipper heeft inmiddels een aantal projecten lopen gericht op de ontwikkeling van teeltsystemen. Die systemen moeten het gemakkelijker maken om op grotere schaal zeewier te kweken. Daaronder een project voor zeewierteelt op de Noordzee. ‘Consultancybureau Ecofys was met eenzelfde ontwikkeling bezig. Dus hebben we besloten de handen ineen te slaan. Dat gebeurt in een speciaal daarvoor opgerichte Stichting Noordzeeboerderij.’
Nog deze zomer gaat Schipper met zijn ‘compagnons’ aan de slag met de opzet van een proefboerderij. En dan niet een klein boerderijtje, maar een project met een oppervlakte van een vierkante kilometer. ‘We hebben daarvoor in samenspraak met Rijkswaterstaat een locatie uitgekozen 10 kilometer ten westen van Texel. Een locatie die om allerlei redenen geschikt is voor de kweek van zeewier, maar vooral ook als testlocatie. Je kunt daar redelijk zware omstandigheden verwachten. Dus als we het daar voor elkaar krijgen, lukt het overal wel.’
De proefboerderij is bedoeld voor onderzoeksdoeleinden. Daarnaast moet het een stek worden waar startende ondernemers laagdrempelig terechtkunnen.
‘We hebben gekozen voor de weg van een Green Deal vooral omdat dit nog zulke nieuwe materie is. We hebben gemerkt dat de overheid het idee omarmt, maar ook een weg moet vinden om dit goed te kunnen ondersteunen. Al was het maar omdat er verschillende departementen bij zijn betrokken.’
Zeewier heeft de toekomst, daarvan is Schipper overtuigd. Het kan dienen als biomassa. ‘Voordeel ten opzichte van biomassa uit andere bronnen is dat zeewier niet concurreert met de voedselvoorziening. Het wordt immers niet op land geteeld. Ik heb er alle vertrouwen in dat de samenwerking binnen de Green Deal ons het benodigde steuntje in de rug geeft.’
John Mak, WE adviseurs
‘Verplichting zou ons helpen’
Wie nieuw wil bouwen, krijgt er vanaf volgend jaar een nieuwe opdracht bij. Vanaf 2013 moet bij aanvraag van een zogenoemde Omgevingsvergunning namelijk een berekening van de milieuprestatie van een gebouw worden bijgevoegd. Met de Green Deal wil John Mak, directeur van W/E adviseurs, partijen in de bouw daarmee vast vertrouwd maken. En hij hoopt dat het daarbij niet blijft.
Prestatiegerichte regelgeving is voor de bouw niet nieuw. Er wordt al sinds de jaren negentig mee gewerkt. Zo zijn er normen die voorschrijven hoeveel energie een gebouw mag gebruiken. Volgens Mak is dat te beperkt. ‘Die norm beperkt zich tot het energieverbruik als een gebouw er eenmaal staat. Maar materiaal dat je bij nu gebouwde energiezuinige gebouwen gebruikt, kan ook een grote milieubelasting opleveren. Dus het is in het licht van het klimaatbeleid zeer de moeite waard om ook daar serieus naar te gaan kijken.’
In de jaren negentig zijn berekeningsmethoden ontwikkeld voor de beoordeling van materiaalgebruik in de bouw. Daarna is het een beetje stil geworden, constateert Mak. ‘Er is de afgelopen tien jaar wel mee geëxperimenteerd, alleen niet in het kader van een verplichting. Dat gaat dus veranderen.’
De verplichting om bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning een berekening van de milieuprestatie van een gebouw te leveren ziet hij als ‘een stap in de goede richting’. ‘We willen met de Green Deal bereiken dat partijen in de bouwsector – zoals architecten en ontwikkelaars – vooruitlopend op die verplichting vertrouwd raken met de methodes die voor het maken van zo’n berekening voorhanden zijn. We willen laten zien dat het maken van zo’n berekening niet zo ingewikkeld is en ook niet veel tijd hoeft te kosten. En inzichtelijk maken wat voor milieuwinst het kan opleveren.’
Mak hoopt ook dat er op korte termijn – hij denkt een jaar of twee, drie – verdergaande stappen kunnen worden gezet. ‘De berekening van de milieuprestatie is nu nog een vrijblijvende handeling. Met de uitkomsten hoeft niets te worden gedaan. Een prestatie-eis in het Bouwbesluit zou daarin verandering kunnen brengen.’ Hij trekt de parallel met de norm voor energiegebruik. Sinds die er is, is op het gebied van energiebesparing veel vooruitgang geboekt. ‘Dankzij die norm is er veel meer aandacht gekomen voor het maken van bewuster keuzes. Maar ook tot productinnovatie. Het zet de industrie er toe aan om producten te leveren die beter uitpakken voor het milieu. En doordat er meer vraag naar dit soort producten komt, worden ze vanzelf goedkoper.’
Karin Bojorge, Frank den Hoed
bojorge@vno-ncw.nl