01-07-2010 - Een paar jaar geleden leek de Europese Unie nauwelijks nog vooruit te branden. Dat was voor de crisis toesloeg. Inmiddels draait Europa weer op volle toeren.
Over de Europese vlag en het volkslied is de laatste tijd weinig meer vernomen. Een paar jaar geleden was dat wel anders. Nadat referenda in Nederland en Frankrijk ervoor gezorgd hadden dat de Europese Grondwet naar de prullenbak werd verwezen, zochten de regeringsleiders naarstig naar aanpassingen die de tekst wel acceptabel zouden maken voor de 27 lidstaten. Volgens de critici had de unie te veel te zeggen gekregen en moest Europa een toontje lager zingen. Symbolen als vlag en volkslied werden er uitgegooid en het woord grondwet werd zo veel mogelijk vermeden. Een aangepaste versie kon uiteindelijk wel op instemming van de lidstaten rekenen, al ging dat lang niet overal van harte. Op 13 december 2007 ondertekenden de regeringsleiders dan eindelijk het Verdrag van Lissabon. Dat was precies zes jaar nadat ze besloten hadden dat een dergelijk verdrag er moest komen. Dat nog geen jaar later een wereldwijde kredietcrisis zou losbreken, kon toen natuurlijk nog niemand weten.
Het slepende proces waarin het verdrag tot stand kwam, lijkt inmiddels alweer een eeuwigheid geleden. Het slakkentempo van toen heeft plaats gemaakt voor een duizelingwekkende snelheid. Begin vorige maand stelden de regeringsleiders – in nauwe samenwerking met het IMF – honderden miljarden beschikbaar om de euro te redden. Voor de zwakke broeders uit de eurozone die op de kapitaalmarkt steeds hogere rentes moesten gaan betalen, maakten ze een speciaal fonds. Eerst alleen voor Griekenland, kort daarna ook voor anderen. In ruil daarvoor moesten die landen zelf ook flink aan de bak. Met het financiële mes op de borst werden ze gedwongen om niet alleen flink te bezuinigen, maar ook de hervormingen door te voeren waarmee ze al veel te lang getreuzeld hadden (zie kader). Op hun top van twee weken terug spraken de Europese regeringsleiders af dat ze een bankenheffing gaan invoeren. En ook Europees toezicht op de bankensector lijkt nu plotseling van de grond te komen. In de discussie over de EU gaat het al lang niet meer over te veel bevoegdheden voor Europa maar over te weinig: regeringen moeten hun begrotingen straks ook voor goedkeuring naar Brussel sturen.
Te slap
"We zijn gewoon te slap geweest", zegt Atzo Nicolaï die in de eerste drie kabinetten-Balkenende staatssecretaris voor Europese Zaken was. "Vervolgens zijn we als Europa financieel uit de bocht gevlogen, met Griekenland voorop. De huidige discussie is weer een correctie daarop. Als het over Europa gaat, zie je duidelijke slingerbewegingen. En daarbij slaan we wel eens door." Dat laatste was volgens Nicolaï, die tegenwoordig voor de VVD in de Tweede Kamer zit, ook het geval toen de Nederlanders zich in 2005 in meerderheid uitspraken tegen de grondwet. "We realiseerden ons niet meer voldoende hoe belangrijk Europa voor ons was." Die afwijzing van toen verklaart hij uit een jarenlang gegroeide frustratie onder de bevolking over steeds meer Brusselse regels, ook op terreinen waar Europa weinig toegevoegde waarde hadof zelfs in de weg liep. Opeenvolgende kabinetten hadden daar te weinig tegen gedaan. "Er was een brede onvrede ontstaan en die kwam er bij dat referendum in een keer uit. Het goede van de crisis waarin we nu zitten, is dat we weer zijn gaan inzien hoe belangrijk financiële samenwerking is in Europa."
Maar zijn de huidige problemen niet ook weer ontstaan doordat regeringen hebben zitten suffen? Bij de introductie van de euro hadden ze toch afspraken gemaakt om hun financiën gezond te houden en zo een stevige basis te garanderen voor de nieuwe gezamenlijke munt: een begrotingstekort onder de 3 procent van het bbp en een staatsschuld die niet boven de 60 procent uitkwam. "Als Nederlandse overheid hebben we consequent gepleit voor een sterke handhaving van de afspraken uit dat Stabiliteitspact", zegt Nicolaï. " Maar vaak vonden we een meerderheid van landen tegenover ons." Eind 2003 vertegenwoordigde hij Nederland in Napels op een overleg van Europese ministers over de nieuwe grondwet. "Daar heb ik ook nog gezegd: wat heeft het eigenlijk voor zin dat we hier over een nieuw verdrag praten als we er niet eens in slagen om de afspraken uit het oude waar te maken?" Maar het laatste beetje Europese discipline dat er was, verdween toen ook Duitsland van de rechte leer afweek. "Tot dan konden we vaak schouder aan schouder met de Duitsers optrekken", zegt Nicolaï. "Ik had daarover nog een enorme botsing met Joschka Fischer. Die zei dat ze het geld nodig hadden voor de kosten van hun eenwording."
De echte fout was natuurlijk al eerder gemaakt, zegt de Tilburgse economiehoogleraar Sylvester Eijffinger, die een van de vaste adviseurs is van het Europees parlement over monetaire en budgettaire zaken. Toen de Europese leiders hun afspraken maakten, hadden ze ook meteen een goede procedure moeten maken waarmee ze die afspraken konden afdwingen. Wat nu gebeurt, is een correctie van iets dat vanaf het begin al fout zat. De bevoegdheden van de Europese Commissie om op te treden zijn te gering. Landen kunnen nu hun ‘strafmaatregelen’ nog ontlopen als ze een gekwalificeerde meerderheid van de ministers van Financiën en Economische Zaken aan hun zijde krijgen. Als Eijffinger zijn zin krijgt, is daar straks steun van al deze ministers voor nodig. "Alleen als er unanimiteit is, kunnen ze een voorstel van de commissie nog terzijde schuiven."
Hij wil nog verder gaan. Nu is er alleen een procedure om begrotingszondaars aan te pakken, maar de commissie moet ook kunnen optreden als landen hun de staatsschuld te hoog laten oplopen. Daarnaast moet Europa ervoor zorgen dat er een echte Europese arbeidsmarkt komt. Nu zijn er nog veel te weinig mensen die in andere landen aan de slag gaan als daar betere mogelijkheden zijn. Die mobiliteit is er alleen aan de onder- en bovenkant van de arbeidsmarkt. Eijffinger wil dat de grote middengroep ook in beweging komt zodat bijvoorbeeld een Spaanse bouwvakker die werkloos is geworden na de instorting van de bouwboom op het Iberisch schiereiland zijn heil gaat zoeken in landen waar nog wel gebouwd wordt. De taal hoeft daarbij volgens hem niet het probleem zijn: "het werk van bouwvakkers is overal hetzelfde." De verschillende sociale zekerheidsregelingen zorgen voor veel meer problemen. "Je moet de sociale zekerheid zo inrichten dat mensen die mobiel zijn daar niet voor gestraft worden. Dat is iets voor de lange termijn maar daar moeten we nu wel mee beginnen."
Flink bezig
Eijffinger is wel onder de indruk van de maatregelen die de landen nu treffen om hun financiën weer op orde te brengen en hun economie weer concurrerender te maken. "Wat Griekenland doet, is fors. Ook Zapatero in Spanje is flink bezig. De urgentie in die landen wordt echt wel gevoeld."
"Het is droef maar waar", zegt Nicolaï. "Mensen komen vaak pas in beweging als er een crisis ontstaat." Als staatssecretaris zag hij jarenlang hoeveel moeite het kostte om vanuit Europa te proberen landen aan te zetten tot hervormingen die hen concurrerender moesten maken. Begin deze eeuw spraken de Europese regeringsleiders af dat ze van Europa in tien jaar tijd de meest concurrerende economie ter wereld zouden maken. Het Lissabon-proces, werd dat genoemd, naar de stad waar de afspraken gemaakt werden. Het werd een zich voortslepend proces waarbij jaar op jaar geconstateerd moest worden dat de achterstand op bijvoorbeeld de Verenigde Staten alleen maar toenam, bijvoorbeeld omdat Europese landen onvoldoende deden om de arbeidsparticipatie te vergroten. "Dat Lissabon-proces was veel te pretentieus", zegt Nicolaï. "Het was een strategie die niet waar te maken was omdat het ging over zaken die nationaal geregeld worden. Wat dat betreft heeft deze crisis meer teweeg gebracht dan die papieren tijger van het Lissabon-proces."
Knoflooklanden treffen drastische maatregelen
Een grootverdiener was hij toch al nooit maar de Spaanse premier Zapatero schiet nu wel erg ver onder de Balkenende-norm. In de week nadat de Europese regeringsleiders een financieel reddingspakket presenteerden voor de zwakke broeders in de eurozone kwam de Spaanse overheid met een veelomvattend plan om de financiën weer op orde en de economie weer aan de praat te brengen. Om het goede voorbeeld te geven, levert de premier nu 15 procent van zijn salaris in waardoor hij uitkomt op 78.000 euro per jaar. Ambtenaren gaan er 5 procent op achteruit. Verder worden onder andere het ontslagrecht versoepeld en de overheidsuitgaven bevroren, net als de pensioenen. Al eerder dit jaar besloten de Spanjaarden de pensioenleeftijd te verhogen van 65 naar 67.
Niet alleen de Spanjaarden zijn flink onder druk gezet om ingrijpende maatregelen te nemen: de Grieken presenteerden een nog drastischer plan op de dag dat de andere regeringen akkoord gingen met hun reddingsplan. Dat moet ervoor zorgen dat het gat in de begroting van bijna 14 procent van het bbp nu, in 2014 gekrompen is naar 3. De dertig miljard die daarvoor nodig is, komt via een flinke verhoging van belastingen en accijnzen, lagere pensioenen, verkoop van staatsbedrijven, minder bonussen en een forse reductie van het aantal ambtenaren: voor elke vijf die er met pensioen gaan, komt er maar een terug.
Overigens zitten niet alleen de landen in het Middellandse Zeegebied in de problemen. Op dit moment hebben slechts drie EU-landen een begrotingstekort dat netjes onder de 3 procent blijft: Zweden, Luxemburg en Estland. Vandaar dat ook landen als Duitsland en Engeland inmiddels enorme bezuinigingspakketten gepresenteerd hebben. Bijna alle eurolanden die nu in de financiële gevarenzone zitten, hebben plannen om de pensioenleeftijd te verhogen (behalve Italië), hoewel de uittreedleeftijd waarover gesproken wordt nogal verschilt en soms behoorlijk achterblijft bij die van ons (Frankrijk gaat bijvoorbeeld van 60 naar 62).
Jan Buevink
buevink@vno-ncw.nl