Ook lagere overheden heffen belastingen. Er zijn twee soorten gemeentelijke belastingen waar ook ondernemers mee te maken hebben:
Belastingen, zoals: onroerende zaakbelasting (OZB), toeristenbelasting, precariobelasting, baatbelasting en parkeerbelasting. De opbrengst hiervan gaat naar de algemene – dus vrij te besteden – middelen van de gemeente.
Rechten (retributies). Dat zijn heffingen voor o.a. het gebruik van gemeentelijke bezittingen en voor gemeentelijke diensten. Denk aan bijvoorbeeld het rioolrecht en de leges voor een bouwvergunning. De totale opbrengst van deze heffingen mag niet hoger zijn dan de totale kosten.
De OZB-lasten moeten binnen de perken blijven. Voor een gematigde ontwikkeling van de OZB-lasten heeft de Rijksoverheid op 1 januari 2008 de ‘macronorm’ ingevoerd. Die houdt in dat de totale OZB-opbrengst van alle gemeenten in Nederland maximaal met een jaarlijks vast te stellen percentage mag groeien. Groot bezwaar is dat deze macronorm geen disciplinerende werking heeft, niet op de individuele gemeenten, maar ook niet op alle gemeenten gezamenlijk. Dat blijkt wel uit de recent gepubliceerde CBS-cijfers over de ontwikkeling van de gemeentelijke lasten. De stijging van de OZB-opbrengst met bijna 6 procent gaat het niveau van de macronorm ruim te boven. Lokale lastenstijgingen moeten daarom aan banden worden gelegd door (her)introductie van een norm waaraan iedere individuele gemeente is gebonden. Deze micronorm zou moeten inhouden dat de belastingopbrengst voortaan niet hoger mag zijn dan de opbrengst van het jaar daarvoor. Er mag alleen gecorrigeerd worden voor inflatie en volume-effecten (bijv. door huizenbouw). Deze aanpak is geheel in lijn met de meerjarenafspraken die in 2011 tussen Rijk en decentrale overheden zijn gemaakt.